Het debat


'Wij weten niets van hun lot'. Gewone Nederlanders en de Holocaust heeft een uitgebreid en fel debat losgemaakt. Dat liep ongeveer zo:

Het begon allemaal met mijn opiniestuk in de Volkskrant van 25 april 2012. Daarop kwam een ingezonden brief van Menno ten Brink, de rabbijn van de Liberaal Joodse Gemeente, en een brief van Ron van der Wieken, voorzitter van diezelfde gemeente. Kort daarna voerde ik een vrij vruchteloze discussie met Ed van Thijn in het Verzetsmuseum in Amsterdam.

Vervolgens gebeurde er geruime tijd niets - althans, niet in de polemische sfeer. Tot mijn lichte verbazing kreeg ik wel fraaie recensies maar weinig boze reacties. In oktober 2012 kreeg ik zelfs de Libris Geschiedenis Prijs uitgereikt. Dat was, naar het lijkt, de katalysator voor een stortvloed van kritiek.

Allereerst schreef Anet Bleich in het Nieuw Israƫlietisch Weekblad (NIW) een recensie, die lovend begon, maar met een krachtige veroordeling eindigde. Ik schreef daarop een weerwoord, Bleich een repliek, en ik weer een reactie daarop. Veel later ben ik nog eens op haar kritiek teruggekomen, naar aanleiding van door Bleich geschreven recensie.

Ondertussen hadden zich enige nogal agressieve briefschrijvers in het debat gemengd, onder wie Ies Vuijsje en documentairemaker Frank Diamand.

Daarna, in december 2012, publiceerden Evelien Gans en Remco Ensel in de Groene Amsterdammer een lang stuk dat, naar mijn mening althans, sterk de indruk wekt dat ik niet geheel zuiver op de graat ben. Ik was daar heel kwaad over, en uitte mijn eerste woede in een reactie op de website van de Groene, en daarna in een repliek op het papier van dit onvolprezen weekblad (dat er overigens wel een enigszins rellerige titel boven plaatste). Daarnaast voorzag ik het stuk van Gans en Ensel op dit blog van een uitgebreid commentaar. Dat commentaar bevat allerlei nogal voor de hand liggende inhoudelijke vragen, die helaas geen van alle werden beantwoord in het volgende, wederom lange stuk van Gans en Ensel, dat alleen nog maar gaat over mijn vermeend duistere agenda - een mijns inziens zinloze aanpak, zoals ik in de Groene al had uitgelegd, en nogmaals uitlegde op dit blog. Toen de discussie in mei 2013 opnieuw oplaaide - waarover meer hieronder - herhaalden Gans en Ensel een aantal van hun bezwaren in een opiniestuk in NRC Handelsblad, waar ik op dit blog weer op reageerde. Tenslotte schreven beiden in het najaar van 2013 een vierde, opnieuw lang artikel, nu in het Tijdschrift voor Geschiedenis. Zoals ik in mijn repliek in dat blad uitlegde, bleef ondanks de vele tientallen pagina's kritiek die Gans en Ensel inmiddels hadden geproduceerd geheel onduidelijk met welke van mijn conclusies ze het nu oneens zijn, en waarom. In een poging enige helderheid te verkrijgen heb ik ze in april 2014 nog eens gevraagd hun bezwaren toe te lichten, waarop zij lieten weten verder geen behoefte aan discussie te hebben. Dat weerhield hen er niet van eind van dat jaar een groot Engelstalig stuk online te zetten, dat wederom geen weerlegging van mijn conclusies bevatte, maar wel een hele serie evidente verdraaiingen herhaalde.

Terug naar de Groene Amsterdammer, begin 2013. Naar aanleiding van dat eerste stuk van Gans en Ensel schreven Arianne Baggerman en Rudolf Dekker een zeer kritische brief. Op mijn blog legde ik uit waarom hun bezwaren volgens mij geen hout snijden, hetgeen hen er niet van weerhield ze in juli 2013 in NRC Handelsblad te herhalen - inclusief het verwijt dat ik er niet op inging. Verbaasd herinnerde ik hen in een mail aan mijn verweer van destijds, en vroeg hen daarop te reageren. Ook zij bleken niet van zins hun kritiek te onderbouwen.

Een derde criticus mengde zich begin 2013 in de Groene in het debat, namelijk mijn gewaardeerde collega Guus Meershoek. Ik voorzag zijn stuk op mijn blog van commentaar. Nu kennen Guus en ik elkaar goed, maar in een uitgebreide mailwisseling kwamen wij toch nauwelijks nader tot elkaar. In april 2014 heb ik dat nogmaals geprobeerd, door ook Guus te vragen de volgens mij openstaande vragen te beantwoorden. Het resultaat kan mij in ieder geval niet erg bevredigen.

Direct na het uitkomen van de eerste stukken Gans en Ensel, Meershoek en Baggerman en Dekker, begin februari 2013, schreef ik al een uitgebreide repliek op de website van De Groene.

Ondertussen laaide de discussie ook op in de brievenrubriek van dat blad, waar onder anderen Ron van Hasselt een bezwaar aanvoerde dat hij deels al eerder in hetzelfde blad had geuit (en waar ik destijds ook op had gereageerd) en een andere lezer het voor me opnam.

Toen dit achter de rug was, veronderstelde ik dat de discussie wel uitgewoed was. De jonge historicus Jaap Cohen dacht dat ook en schreef voor NRC/Handelsblad en nrc.next een - vrij kritische - terugblik. Ik reageerde daarop op dit blog, en nogmaals een halfjaar later, toen Cohen in een recensie op het onderwerp terugkwam. Ook hem vroeg ik in april 2014 om terug te komen op de mijns inziens openstaande vragen, hetgeen een heel interessante uitwisseling van argumenten opleverde - het kan dus wel.

Maar de discussiestof bleek nog lang niet op. In mei 2013 schreef Ies Vuijsje - mijn belangrijkste wetenschappelijke tegenvoeter - een groot stuk in NRC/Handelsblad, waarop ik een (door de redactie lichtelijk gemutileerde) repliek schreef en een hele pagina met reacties verscheen, waar ik op dit blog weer op reageerde.

Ongeveer tegelijkertijd schreef hoogleraar rechtsgeschiedenis en burgerlijk recht Corjo Janssen een lang en kritisch stuk in het Nederlands Juristenblad, dat later een repliek van mij publiceerde, plus de herinneringen van een tijdgenote en een nawoord van Jansen. In Levend Joods Geloof, het blad van Liberaal Joodse Gemeente, publiceerde columnist Simon Soesan een stuk dat vooral de (mijns inziens nogal redeloze) woede illustreert die het boek blijkbaar oproept.

En nog waren de gemoederen nog niet tot bedaren gekomen. In juli 2013 plaatste NRC/Handelsblad een groot interview met mij, dat opnieuw een flink aantal ingezonden brieven opleverde, waar ik op dit blog weer op reageerde.

Nadat socioloog Bram de Swaan in februari 2014 de heisa over mijn boek 'een domme discussie' had genoemd - een uitspraak die ik hier becommentarieerde - kwam hij in juli 2014 op de kwestie terug in een groot opiniestuk in NRC/Handelsblad. Ik reageerde daarop in dit blog, en in de krant. H.W. von der Dunk reageerde in dezelfde krant weer op De Swaan, en ik hier op hem.

Later dat jaar publiceerde de Duitse, in Nederland werkzame historica Christina Morina een zeer kritisch stuk in een Engelstalig vakblad, waarop ik hier weer commentaar leverde.

De grote vraag is natuurlijk wat dit alles inhoudelijk nu heeft opgeleverd - relatief weinig, denk ik - en hoe we de omvang en felheid van deze heisa moeten verklaren. Over het antwoord op die vraag denk ik nog even na.

Geen opmerkingen: